Home / Te zien / De Collectie / 43. De snij- en buigbank

43. De snij- en buigbank

De snij- en buigbank werden gebruikt door de 'hoepmaker', een specifiek IJsselsteins beroep tussen 1850 en 1950. Als voorloper van de meubelindustrie te IJsselstein was de hoepelmakerij, samen met de mandenmakerij, in die jaren een belangrijke vorm van bedrijvigheid. De polders in de Lopikerwaard leenden zich bij uitstek als cultuurgronden voor griend. Natte gronden werden verdeeld in smalle percelen die beplant werden met verschillende soorten wilg, ook wel teen genoemd. De volgroeide teen werd na het 'hakken' en 'wateren' ontdaan van de bast (schillen). Na droging vond de teen zijn weg naar de manden- en hoepmakerijen. In de hoepmakerij werd de dikkere teen of 'stokken' verwerkt tot hoepels voor haring- en botervaatjes. Dat gebeurde door de teen exact in tweeën te kloven en op de snijbank de binnenkant glad te snijden om een egale dikte te verkrijgen. Vervolgens werden de gesneden stokken in water geweekt om deze soepel en buigzaam te maken waarna op de buigbank de stokken werden rondgezet. Als laatste werden de stokken met een mal tot hoepels gemaakt.
collectie: Historische Kring IJsselstein




< vorig voorwerp     -     ^ terug naar overzicht ^      -     volgend voorwerp >